De grootste gids naar slotenmaker Jette

Je woon slechts en wie weet heeft ons reservesleutel, die ligt hier namelijk alsnog op tafel na een verlof.

Waar een brouwerij ‘een Roskam’ bezit gestaan? Daaromtrent geeft de Beschrijvijving der Stadt Delft via Reynier Boitet uit 1729 vol­doende zekerheid. Daarin zeker komt ons lijst wegens betreffende brouwerijen en wij ontdekken daarbij de brouwerij ‘De Roscam, staande op het Achterom’. Voorts, in met­merking nemende het deze in 1640 reeds uitgebroken was, maar dat een verschillende, eerst ‘Een Slange’ ge­naamd en gelegen op dit Oude Delft tegenover een Haverbrug of een gewezen Koornbeurs, hoofdhaar titel ver­anderde en die over „Een Roskam’ aannam, meent deze het we een plaats, waar Jan Steen gedurende een lange reeks aangaande jaren woonde en werkte, niet ver verdere behoeven te uitkijken.

Dit deel betreffende een Gasthuisstraat tot de Molstraat aan de Koornmarkt behoorde tot het 9e kwartier. Soutendams wandeling begon op deze plaats voor brouwerij ‘De Clauw’ op de hoek aangaande de toenmalige Gasthuissteeg, welke later in ons plateelbakkerij werd herschapen.

Ergens halverwege de Kolk en de Baljuwsteeg lag een scheidslijn tussen het 16e en het 15e stadskwartier. Het 15e kwartier begint bij een brouwerij van Jan Huygensz. Met Rijck, ‘Inde Witte Leeuw’, die in overeenstemming met Met Bleyswijck tussen 1600 en 1640 werden uitgebroken. Drie huizen nader woonde ons lakenbereider, die twee ‘par­thyen’ aangaande bestaan eigendom verhuurde, één aan ons kleer­maker, de ander met een schoenlapper, die bestaan hand­werk in ons zogenoemd pothuis uitoefende.

Hij had immers geen keuken noch haard betreffende verrichten om bestaan lijf te voeden en voor verstijving te bewaren. Bestaan armelijke kluis was gelegen tussen de huizingen aangaande Rijhoven ten noorden en die met Lieven Peck ten zuiden, daar waar in 1600 Michiel Sasbout en medicus Foreest ons omvangrijk deel hunner levensdagen sleten. Sindsdien kan zijn een situatie daar zeer gewijzigd. Dit zuidelijk deel aangaande het woonhuis der R.K. Leesvereniging [meteen Antieke Delft 205] neemt thans een locatie in daar waar de Delftse ‘Isrealiet’ leefde en in 1624 overleed.

één betreffende een harnasmaker, de beide anderen van zwaardvegers. De theorie binnen een wanden der kerk gepreekt, werden door de praktijk daar behalve gelogenstraft en bespot.

Ook woonde er ons ‘brandewijnman’, tapper zouden we tegenwoordig zeggen. Was het Schiedammer nat destijds reeds vertrouwd, vervolgens zou hij stellig ‘geneverman’ geheten beschikken over, zoals men in welke tijd tevens sprak over een ‘speckman’ ingeval men ons slager bedoelde en de term ‘coolman’ gebruikte voor wat wij (in 1882)

De stadstrompetter, Cornelis Pietersz welke het huis op een zuidwesthoek in huur had van de plaats, uiteraard dicht voor een plaats waar deze 's nachts zijn officie uitoefende. Op hem slaat de vol­gende resolutie: „Op heden de 27e Mei 1600 hebben mijnen heeren Burgemeesteren en Regeerders der stad

welke deze; vanwege een kuur behoefde, moest deze alleen leveren en bekostigen, buiten met de stad ofwel de ‘paciënten’ iets daarvoor in rekening te mogen bezorgen. Voor dat alles zou mr. Jan, vanwege een tijd aangaande zes maanden geëngageerd, ons ‘gaige’ (bezoldiging) van stadswege genieten van 200 guldens eens.

Zij bestonden uit een paar segmenten, ons bovendeel en een onderstuk, hauts de chausses en bassist de chausses. Nu benoemen wij slechts dat laatste deel ons kous.

In een ‘Poppestraet’ wonen in kleine ‘huyskens’, alle betreffende een haardstede, onder verschillende: Anneken Isebrants ‘dienende int Gasthuys vanwege Cokinne’; ons smid; brouwersknechts; korendragers; kuipers en overige ambachtslui; een Schotse weduwe enzovoorts.

Een momentje verder woonde een ‘heuyckmaecker’, wiens woonhuis heette ‘Inden Wenteltrap’. Hij vervaardigde het vrouwenkledingstuk huik genaamd, het men een voorloopster met een moderne regenmantel zou kunnen noemen.

  waren destijds alsnog ver te uitkijken. Een ‘nieuwmaeren’, meteen de latere couranten eerst heetten, werden ook merendeels mondeling aan­gebracht door reizende boden, schippers en andere ambulante mensen. Hun onbevangen, door de politiek ook niet beneveld oordeel, placht de feiten eenvoudiger en juister op te vatten en verdere overeenkomstig hun ware toedracht tevens te delen, vervolgens thans via een ‘gedrukte’ boden betreffende het nieuws vermag te website geschieden, meteen men zich betreffende dat aangaande gisteren en heden slechts node vergenoegen mag.

In 1600 was het huis op de hoek van de Voldersgracht en Appelmarkt reeds bekend onder een benaming ‘Inden Brill’ of ‘Inden Vergulden brill’. Vermoedelijk was de kwartiermeester Dirck Jansz., welke daar toentertijd woonde, goudsmid, tinnegieter, of mogelijk brandewijnman, aangezien uitgezonderd vier haardsteden gaf deze ook ons ‘forneys’ met.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *